Amatitlania sajica (BUSSING 1974)

Tekst Rene Beerlink, foto's Stefan Roeleven
Etymologie: 

Amatitlania, afgeleid van het type plaats van het type soort "Amatitlán" betekent, een plek van overvloed in amate" in het Nahuatl. "amate" is een soort van papier gemaakt van de bast van Ficus petiolaris of Ficus indica.

 

Sajica” is een acroniem van Salvador Jiménez Canossa. Directeur van de “Libary of Congres” te Costa Rica. “Sr. Jimenéz.., een vriend en ervaren natuurvorser vergezelde me bij veel van mijn eerste vangreizen in Costa Rica en zijn enthousiasme en nieuwsgierigheid heeft veel bijgedragen aan het succes van deze reizen”. Aldus William Bussing.

Referentie: 

Bussing W. 1974. "Two new species of cichlid fishes, Cichlasoma sajica and C. diquis, from southeastern Costa Rica". Revista de Biologia Tropical. v. 22. pp 29-49.

Literatuur: 

Hans A. Baensch, Dr. Rüdiger Riehl 1987. Aquarien Atlas Band 2.

Beschrijving: 

De enige Amatitlania die exclusief voorkomt in rivieren die op de Pacific uitmonden. De Centraal Amerikaanse bergrug die Costa Rica in tweeën deelt, scheidt haar van al haar verwanten.  Algemeen wordt aangenomen dat A. sajica en A. septemfasciatus een voorouder delen, maar dat deze bergrug, “De Cordilerra”, in een ver verleden het leefgebied in tweeën splitste, waardoor twee soorten ontstonden. Hier zijn meer voorbeelden van aanwezig. Zo zou Cibroheros diquis de pacifistische tegenhanger zijn van de Atlantische Cibroheros alfari.

 

Er is veel variatie. Uit de natuur zijn diverse kleurvarianten bekent (Konings A.1989), bovendien is het mogelijk dat er in de loop der jaren diversiteit tussen de verschillende aquariumpopulaties is ontstaan. Costa Rica hanteert zeer strenge uitvoerbepalingen waardoor er zo goed als geen wildvang in de handel komt. Ik beschrijf hier de in Nederland meest algemene vorm.

 

Deze vis wordt ook wel T-bar cichlide genoemd. De T wordt gevormd door het eerste deel van de horizontale laterale band en de derde dwarsband. A. sajica is minder seksueel dimorfisch dan A. septemfasciatus, maar desondanks zijn er 'n paar verschillen te noemen. Zo worden de mannen in de natuur veel groter dan de vrouwtjes, waarbij aangetekend moet worden dat de maximale lengtes voor aquariumpopulaties hier nog flink bovenuit kunnen komen maar daarover later meer. Het mannetje is hoger gebouwd en heeft een opvallend stijl kop-profiel dat uit kan lopen in een voorhoofdsbult. De zachte stralen van de rugvin zijn rood. Deze kleur kan ook in de staartvin en in de aarsvin voorkomen. De vinnen van de vrouwtjes zijn daarentegen oranje-geel, de rugvin is in het midden zwart omzoomd, precies op de plek waar andere Amatitlania-vrouwtjes vaak een meervoudige pauwoogvlek vertonen. Bij sommige wildvangpopulaties loopt de derde dwarsband door tot in de rugvin. In de paartijd wordt deze derde dwarsband sterk geaccentueerd. Zodra er jongen zijn, kleuren de ouders (met name het vrouwtje) extreem donker. Haar iris veranderd van blauw naar geel, waardoor deze nog meer opvalt. Dit is een waarschuwing naar andere vissen voor het sterk toegenomen temperament.

Herkomst: 
Costa Rica.
Verspreiding: 

Tot een van de laatste Ichtyologisch onderzochte gebieden van Centraal Amerika behoorden de regenwouden in het Zuid-Oosten van Costa Rica. Het bleek een biologische hotspot en oa. het leefgebied van A. sajica. Hier deelt ze haar verspreidingsgebied met vijf andere Cichliden. T. sieboldii, A. coeruleopunctatus, C. altifrons, C. diquis en A. lyonsi. Verder naar het Noord-Westen laat ze deze concurrentie geleidelijk achter zich en komt ze alleen nog samen voor met C. diquis en het is niet uit te sluiten dat er zelfs riviertjes zijn waar Amatitlania sajica als enige de familie Cichlidae vertegenwoordigd. Dit geldt sowieso voor het schiereiland Osa Peninsula. Punta Judas is het meest Noordelijke puntje en het stroomgebied van de Rio Esquinas is het meest Zuiderlijke gebied waar A.sajica voorkomt. In de Rio Coto, aan de Panamese grens wordt A.sajica niet meer aangetroffen. Het habitat van A. sajica bestaat uit kleine beekjes of uit de ondiepe oeverzones van kleine riviertjes tussen de 10 en 680 mtr. hoogte. bij voorkeur op plekken die enige beschutting bieden. Daar waar ze voorkomt is ze vaak ook algemeen (Bussing1974)
 

Gedrag: 

Vreedzaam, maar tijdens gezinsuitbreiding behoorlijk pittig.

Voedsel: 

Omnivoor. Maagonderzoek heeft aangetoond dat veruit het grootste deel van het natuurlijke voedsel  van plantaardige herkomst is. Detritus, algen en zaden (Bussing 1974). Voedsel met veel ballaststoffen en een lage voedingswaarde dus. Als we deze situatie vergelijken met de situatie in het aquarium zou hier wel eens de verklaring kunnen liggen voor het feit dat sajica's in aquaria veel groter worden dan hun neven en nichten in het wild. Ons kunstmatig gefabriceerde visvoer bevat een compleet spectrum aan voedingsstoffen en is vele malen eiwitrijker dan het natuurlijke dieet. Dit heeft mogelijk gevolgen voor de ontwikkeling van de vis.

 

Bussing heeft het over maximumafmetingen van 7 cm voor vrouwtjes en 9 cm voor mannetjes terwijl je in de aquariumliteratuur afmetingen tegenkomt tot aan 22 cm aan toe. Nu denk ik dat we dit laatste wel naar het land der fabelen kunnen verwijzen maar een maximumlengte van zo'n 15 cm lijkt me op grond van verschillende meldingen niet uitgesloten. Voor een optimale gezondheid van de dieren zou ik een gevarieerde voeding willen adviseren met voldoende ballaststoffen in de vorm van spirulina, gekookte erwten of met kokend water overgoten sla. Sommige sites adviseren “krachtig voer” zoals mosselen en runderhart. Dit lijkt me gezien het voorgaande eerlijk gezegd 'n beetje te veel van het goede. Het is in ieder geval niet in overeenstemming met de natuurlijke situatie.

Kweek: 

De vis bevindt zich qua voortplanting in een ontwikkelingsfase tussen open substraatbroeder en holenbroeder in. Daar waar het mogelijk is, is het een holenbroeder maar als er geen holen voorhanden zijn is ze opportunistisch genoeg om met minder beschutting genoegen te nemen. De amberkleurige eieren komen bij 26 C na 3 dagen uit en na nog eens 5 dagen zwemmen de jongen vrij. Ouders voeren (net als A. septemfasciatus) hun jongen door de bodem op te wervelen. In een voldoende groot aquarium blijven er op deze manier altijd wel 'n paar jongen leven. Als men echter het hele nest groot wil brengen zal er Artemia gevoerd moeten worden en dan het liefst meerdere keren per dag. In de schaarse literatuur  lees je vaak dat de jongen van A. sajica onregelmatig opgroeien. De oorzaak hiervan is onbekend.

Aquarium: 

Vrij eenvoudig paarsgewijs te houden in aquaria vanaf 120 cm. Soms schuw. Levendige bakgenoten zoals levendbarenden of Astynaxen kunnen de vissen over hun schuwheid heen helpen. In de paartijd slaan ze vaak door naar relatief agressief. Beplanting is mogelijk, graven doen de vissen alleen als er klein grut op komst is. Water middelhard (15 dGH) en neutraal (PH 7). met een temp. van om en nabij de 27 C. In de natuur zijn waarden tussen de 25 en 30 C gemeten. Samenhouden met andere M-Amerikaanse cichliden is goed mogelijk behalve met andere Amatitlania want dat leidt geheid tot hybriden.

Stoplicht: 
Groen
Herkomstgebied: 
synoniemen: 

Cichlasoma sajica, Bussing, 1974
Archocentrus sajica, Allgayer, 1994
Cryptoheros sajica, Allgayer, 2001
Amatitlania sajica, Říčan et al, 2016